De Volkskrant, 5 mei 2006

Schilderbeest was schrik van estheet

Karel Appel, de markantste en bekendste moderne kunstenaar van Nederland, is op 85-jarige leeftijd overleden. Hij leerde Nederland wat moderne kunst is.

Het is een mooi, aandoenlijk beeld. De anekdote die schrijfster Ethel Portnoy (volgens Simon Vinkenoog) eens vertelde. Van de jonge Karel Appel die in Parijs met zijn schildervrienden Sinterklaasavond vierde. Hoe ze daar rond een kacheltje zaten te kleumen, met een stamppot. Terwijl er om hen heen voor een paar miljoen aan schilderijen stond. ‘Maar dat wist toen nog niemand.’

Karel Appel, de markantste en bekendste moderne kunstenaar van Nederland, werd geboren op 25 april 1921 in de Dapperstraat, Amsterdam-Oost, als zoon van een muzikale moeder en een kapper. Op zijn veertiende kreeg hij een schilderskist van zijn oom. De mogelijkheden met die verf moeten als een bom zijn ingeslagen bij de jonge Karel.

Na enkele jaren in de zaak van zijn vader te hebben gewerkt (‘Ik was een haarverfspecialist’), werd hij na een hoog opgelopen ruzie op straat gezet, en meldde zich kort daarna aan op de Rijksakademie. Een periode, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij zijn stijl ontwikkelde en zijn vrienden maakte, onder wie Constant, Corneille, Asger Jorn en Alechinsky. Met hen formeerde Appel in 1948 de internationale Cobra-beweging. Hij ontketende een ‘kleine revolutie’, zoals de dichter Lucebert het zou typeren.

Een revolutie in het burgerlijke Holland van na de bevrijding, dat alleen maar hunkerde naar de tijden van voor 1940. Een revolte die overigens in alle denkbare richtingen dreigde te versnipperen. Ware het niet dat de redding kwam van de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, Willem Sandberg. Hij was degene die hen, hoewel aanvankelijk niet helemaal overtuigd van de kwaliteiten van de Cobra-schilders, enkele zalen in zijn hoofdstedelijke museum aanbood. Het bleek een gelukkige greep, hoewel de Volkskrant Sandberg destijds betichtte van ‘minachting van de kunst der eeuwen’. Het Vrije Volk typeerde de generatie van experimentele schilders en dichters als ‘knoeiers, kladders, verlakkers’.

Ook daarna heeft het nooit geboterd tussen Nederland en Appel. Appel vond zijn vaderland en vooral de kritiek te benepen, protestants en ‘te klein’. Op zijn beurt was hij te vrij en tegendraads voor Nederland. Een belangrijke reden om eerst naar Parijs en later naar New York te verhuizen, was het conflict over zijn Vragende Kinderen, de muurschildering die Appel voor het Amsterdamse gemeentehuis maakte, maar die achter het behang verdween omdat de ambtenaren er hun broodje niet naast wilden opeten.

Veel liet Appel zich niet meer zien. Wat de berichten over hem er niet beter op maakte: de internationale carrière van Appel maakte hem nog verdachter. Zijn voorstel, in 1974, om zijn collectie aan Amsterdam te schenken, ter oprichting van een Karel Appel Museum ging uiteindelijk niet door. Stedelijk Museum-directeur Edy de Wilde zag er niets in, waarna Appel een vrachtwagen liet voorrijden om al zijn bruiklenen uit het museum op te halen.

Karel Appel heeft niet de kunst veranderd of er een zwier aan gegeven, zoals Picasso of Mondriaan. In de jaren zeventig kon zijn Toon Hermans’ vrolijkheid niet concurreren met de schilder-energie en thematische heftigheid van Baselitz en Kiefer. Maar hij heeft, zeker in Nederland, wél bijgedragen aan de brede bekendheid en appreciatie van het beroep. Aanvankelijk in negatieve zin: Appel, de man die maar wat ‘an rotzooide’, zoals hij zelf vertelde, en schilderijen aan de lopende band produceerde die ‘mijn kind’ ook zou kunnen maken. Maar die door dat clichébeeld wel een hele generatie Nederlanders met kunst in aanraking bracht.

Belangrijk, misschien wel doorslaggevend voor de beeldvorming van Appel als schilderbeest was de film die Jan Vrijman in 1961 maakte: De werkelijkheid van Karel Appel. Vrijman filmde de beweeglijke schilder met de cameralens door een gat in het doek. Te zien is hoe viriel en orgastisch hij kilo’s verf met een paletmes tegen het canvas smijt, onder het uitspreken van pakkende oneliners als ‘Ik schilder als een barbaar van deze barbaarse tijd’.

Juist die combinatie van schilderijen, filmbeelden en uitspraken maakte Appel bekender dan zijn bentgenoten uit de Cobra-tijd, Constant en Corneille, van wie de eerste te theoretisch en serieus was, en de tweede juist te oppervlakkig en (vooral later) te opzichtig commercieel – hoewel ook Appel zelf lichte neigingen tot theorievorming kende, en het grote geld en het spektakel niet schuwde. Voor zeker één generatie kunstenaars was Appel dé vertegenwoordiger van het recht op revolutionaire, vrijgevochten kunstuitingen, terwijl hij tevens de schrik was van iedere rechtgeaarde estheet.

Appels roem is uiteindelijk na de jaren zestig pas via het buitenland in Nederland doorgedrongen. Hij exposeerde zeldzaam weinig in zijn geboorteland. Pas in de jaren tachtig ontstond er, ook door de vernieuwingen in zijn werk, een soort revival.

De laatste jaren maakte hij een wat afwezige indruk. In zichzelf gekeerd, maar nog wel immer pratend over ‘het vechten met de materie’ en ‘de strijd met jezelf’. Op zijn tachtigste verjaardag kreeg hij een tentoonstelling in de erezaal van het Stedelijk Museum. Later zou nog een eerbetoon volgen in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Daar toonde de meester dat hij het kunstje nog steeds flikken kon: dat hij de man was die schilderde en beeldhouwde als een ‘spiritueel orgasme’.

 

De Volkskrant, 5 mei 2006

Kunstenaar met oerkracht?

Appel zocht altijd de hitte van de strijd. Hij bleef tot het laatst toe experimenteren. Hij zocht de weerstand op in het materiaal. Zijn werk en zijn houding inspireerden veel kunstenaars.

John Vrieze, directeur van het Cobra Museum in Amstelveen: ‘We zijn heel erg geschokt. Ik sprak hem de laatste drie jaar toch wel eens in de twee maanden. Het was altijd een groot genoegen als hij langskwam in het museum. Heel gezellig en heel inspirerend. Hij heeft mooie schenkingen gedaan. Zijn mooiste werk is het schilderij dat hij maakte voor de eerste tentoonstelling over Cobra in het Stedelijk Museum in 1949. Het is de Nachtwacht van Cobra, Mens en dieren. Het is monumentaal, heel sterk in vlakverdeling en kleur. Nog altijd een hoogtepunt uit zijn carrière.’

Rudi Fuchs, oud-directeur van het Stedelijk Museum en vriend van Appel: ‘Zijn schilderijen zijn zo verrassend, zo vindingrijk. Ik heb hem vaak aan het werk gezien. Hij schilderde de laatste jaren met zoveel fijnzinnigheid, hij aaide eigenlijk.’

Kunstenaar Ger van Elk (1941): ‘Appel was een echte avonturier, een branieschopper. Een beetje opschepperig. Hij vond zichzelf een van de beste schilders ter wereld, en dat was een tikje overdreven. Hij was een schilder zoals men denkt dat schilders horen te zijn: een echte kunstenaar met een alpinopet op. Maar ondertussen was hij ook een goede zakenman. Een echte Amsterdammer, al verkocht hij geen haringen, maar schilderijen.’

Fuchs: ‘Ik ken hem persoonlijk sinds 1986 toen ik een tentoonstelling maakte ter gelegenheid van vijftig jaar Van Abbemuseum in Eindhoven. Zijn werk hing er ook. Hij stond daar met een dikke jas aan te kijken. We zijn aan de praat geraakt. Ik was van de generatie die vond: Appel was oud, daar moesten we vanaf. Minimal art, dat was onze kunst. Appel vond het interessant om met jonge mensen in aanraking te komen. Hij zocht altijd de hitte van de strijd: 1948, Parijs, 1956, New York. Hij bleef tot het laatst toe experimenteren. Hij weigerde zich in zijn roem te nestelen, dat kenmerkt alle grote kunstenaars. Die merken op een gegeven moment dat het te makkelijk wordt. Dan zocht hij de weerstand op. In het materiaal. Dan probeerde hij de schoonheid van de verf onderuit te halen. Met takkenbossen of zoiets.’

Schilder Rachid Ben Ali (27): ‘Je moet kunstenaarskracht hebben om kunstenaar te zijn. En die had hij. Die oerdrift vond ik erg inspirerend. De kracht om iedere keer weer te zeggen: ik begin aan iets nieuws. Ik vond hem stoer in die film waarin hij de verf op het doek smijt. Hij kon op groot formaat werken, en dat doen niet veel Nederlandse kunstenaars. Hij was eigenzinnig en arrogant. Zijn werk heeft mij niet beïnvloed, daarvoor ben ik te veel van een andere generatie, maar zijn houding is een voorbeeld geweest.’

Schilder Jurriaan van Hall: ‘Hij is van grote invloed geweest op de meeste schilders van na de oorlog in Nederland. Het was brute kunst, maar ook vrolijke kunst. Kunst om die oorlog te verwerken. In tegenstelling tot de strenge kunst van de expressionisten gebaseerd op onder andere kindertekeningen. Heel bevrijdend: je mocht maar wat aan rotzooien. De reacties waren hard in het begin. De opmerking: ‘‘Dat kan een kind van drie ook’’, hebben we aan Appel te danken. After Nature, de schilders tot wie ik behoorde, kreeg in het begin ook zulke reacties. ‘‘Lariekoek in leutersaus’, werd er geschreven.’’

Schrijver en generatiegenoot Jan Wolkers: ‘Hoe hij was in de film van Jan Vrijman: echt fenomenaal. Grandioos. Maar hij zocht altijd de competitie met zijn leeftijdgenoten. Was er in het Haags museum een expositie over Popart, ging hij plastic autootjes in de verf drukken. Hij gedroeg zich als een opgejaagd dier. Hugo Claus beschrijft in een van zijn boeken hoe Appel ’s nachts altijd door de straten van New York en Parijs liep, kijkend in de etalages van ateliers. Zoals in die film van Vrijman, zo herinner ik me hem het liefst: als de lekkere Amsterdamse jongen bij wie het leven als het ware uit de tubes spat.’

 

schilder Karel Appel

Meer In Memoriam