Dagblad Trouw, 1 juli 2003
Katharine Hepburn / Eigenwijs maar altijd beschaafd
"Een hoekig gezicht, een hoekig lichaam, en een hoekige persoonlijkheid die overal tegenaan stoot''. Zo beschreef Katharine
Hepburn zichzelf. De legendarische Hollywood-actrice met de fijne jukbeenderen, de vastbesloten rode mond en het doordringende,
wat geaffecteerde stemgeluid, stierf zondag 29 juni op 96-jarige leeftijd in haar huis in Fenwick, Connecticut.
Haar eerste speelfilm maakte ze in 1932 en haar laatste in 1994. Hepburn won 12 Oscar-nominaties (een record
tot Meryl Streep dit jaar haar 13de nominatie ontving) waarvan ze er vier bekroond zag met de Oscar - een record.
Katharine Hepburn fungeerde decennia lang als rolmodel voor vrouwen. Te danken aan haar onafhankelijke
levensstijl en eigenzinnige werkwijze, en aan de rollen in haar films: welbespraakte, eigenzinnige, doortastende
vrouwen. 'Mandarijnen van nature', aldus New Yorker-critica Pauline Kael. Of het nou de armlastige 'tomboy' Jo
was in 'Little Women' (1933), de verwende, rijke Tracy Lord in Hepburns grootste succes 'The Philadelphia Story'
(1940), of de ambitieuze Alice in 'Alice Adams' (1935).
Welopgevoed, koel, elegant; individualistisch, koppig en eigenwijs maar altijd beschaafd, nooit ordinair. Dat
was Katharine Hepburn. Buiten de films een fervent voorstandster van het dragen van pantalons en kostuums en in
vergelijking met rondere tijdgenoten als Bette Davis, Ginger Rogers, of de jongere Liz Taylor ook weinig
vrouwelijk-sensueel. Maar toch niet zonder sex-appeal, al is deze van de meer androgyne, meer tegendraadse soort.
Onweerstaanbaar verwend en arrogant is ze in de luipaard-film 'Bringing up baby' met Cary Grant; perfect
onuitstaanbaar frikkerig is ze tegenover macho Humphrey Bogart in 'The African Queen' (1951); en heerlijk snedig,
snibbig en kattig in de woordenwisselingen met film- (tevens echte) partner Spencer Tracy in hun screwball-komedies.
Films als 'Woman of the year' (1940), 'Adam's Rib' (1949) en 'Pat and Mike' (1952). 'Er zit niet veel vlees aan d'r, maar
wat er zit is kostbaar', aldus Tracy in 'Pat and Mike'.
'Classy' Katharine Hepburn was ook niet van de straat. "Ik moest wel succes hebben,'' aldus Hepburn zelf. "Ik
was bevoorrecht.'' Als de dochter van een uroloog en een feministe die banden onderhield met de beroemde Engelse
suffragette Emmeline Pankhurst, groeide ze op in een alternatief, welgesteld milieu. Een gezin met zes kinderen dat
door elkaar werd geschud toen Katharine's twee jaar oudere broer op 10-jarige leeftijd onder mysterieuze
omstandigheden om het leven kwam. Het vermoeden was dat hij een ophanging imiteerde die hij en zijn zus twee weken
eerder op het toneel hadden gezien.
Volgens haar biograaf Charles Higham veranderde de onbevangen Katharine vanaf die gebeurtenis in een wantrouwend,
arrogant, fanatiek anti-religieus meisje. Ze nam de geboortedatum van haar broer aan (pas in haar in 1992 gepubliceerde
autobiografie 'Me' onthulde ze haar werkelijke leeftijd) en legde zich nog meer toe op het toneel, een plek waar ze alles kon
zijn wat ze wilde; bijvoorbeeld een jongen als het meisje-zijn haar weer eens de keel uithing.
Als 18-jarige toog ze naar het theater in Baltimore en een jaar later naar Broadway, waar ze al snel veel ruziede met
producenten en regisseurs. Na een succesrol in het stuk 'The warrior's husband' in 1932, kreeg ze een contract
aangeboden door RKO en maakte ze haar debuut in de film 'A Bill of divorcement'. Met haar derde film 'Morning Glory'
(1933) won ze haar eerste Oscar, maar Hollywood bleef een vreemd land voor haar. Ze mengde zich niet in de roddels en
intriges en hield haar eigen, intellectuele vriendenkring.
Haar prive-bestaan bleef verborgen. Zo sprak ze pas over haar 25-jaar durende liefdesaffaire met de getrouwde en
oer-degelijke Spencer Tracy na de dood van diens vrouw in 1983. Tracy zelf stierf al in 1967, 17 dagen na afronding van
hun beider laatste gezamenlijk project, 'Guess who's coming to dinner', waarvoor Hepburn haar tweede Oscar won.
Gedurende zijn jarenlange ziekbed waakte Hepburn in het geheim, om beurten met Tracy's echtgenote, aan zijn bed.
Haar 'hoekigheid' maakte haar overigens niet direct populair. Na de weinig succesvolle uitkomst van 'Bringing up
baby' werd ze zelfs 'Box Office Poison' genoemd, een reden om spoorslags naar Broadway terug te keren. Meer voet
aan de grond kreeg ze pas toen ze in 1940 weer terugkeerde met de rechten voor de verfilming van haar succes-stuk
'The Philadelphia Story' in handen, voor haar gekocht door ex-vriend Howard Hughes. Zo verwierf ze een stem in regie en
tegenspelers; een methode die ze ook bij haar latere films zou toepassen.
In 1994 had Hepburn haar laatste speelfilm-optreden in 'Love Affair' van Warren Beatty, in de lieve gedaante waarin
ze later steeds verscheen: een wijze, welwillende, oude tante; de grijzige haren in een knot, het hoofd ietwat wiebelig.
'An old dear' noemde New Yorker-critica Pauline Kael haar al naar aanleiding van haar derde Oscar-winnende optreden
in 'A lion in winter' in 1969. Kael ervoer het als verraad dat de ooit zo onaangepaste actrice nu op het scherm haar
rimpels betreurde en teerde op 'het medelijden met de machtigen die gevallen zijn.'
Het is inderdaad frappant dat drie van Hepburns Oscars zijn gegaan naar films die ze maakte na haar zestigste.
Twintig jaar na de laatste Oscar, voor haar rol in het bejaardendrama 'On golden pond', is echter ook allang duidelijk
dat het toch die welopgevoede, welbespraakte vechtjas uit de vroege periode van haar carrière is, die onvervangbaar is
gebleken en die niet zal worden vergeten.
|