Dagblad Trouw, 6 september 2007
Niets was gewoon aan Pavarotti
Door alle gedoe rondom zijn persoon, alle hysterie rondom zijn exorbitante omvang, zijn vermeende onkunde van het
notenschrift, zijn grote witte zakdoeken, de breed uitgemeten belastingfraude, de huwelijksperikelen, het overduidelijk
geverfde haar, de steeds talrijker wordende afzeggingen en de voortschrijdende plankenkoorts, zou je bijna vergeten dat
Luciano Pavarotti in eerste instantie gewoon een hele goeie operazanger was. Al is dat woordje ’gewoon’ in dit geval wel
wat misplaatst. Niets was namelijk gewoon aan Pavarotti, die vanwege zijn omvang en lengte de bijnaam ’big P’ kreeg.
Pavarotti is in de jaren sinds zijn debuut (1961) uitgegroeid tot een megaster, een zanger die buiten zijn eigen
proporties groeide, die de hoge muren rondom het operabedrijf afbrak en naar buiten trad met een ontwapenende naïviteit –
én met een fenomenale stem.
In de nacht van woensdag op donderdag overleed Pavarotti in zijn woonplaats Modena op 71-jarige leeftijd. Vorig jaar
werd de Italiaanse tenor, die bezig was met een internationale afscheidstournee, geopereerd aan kanker in de alvleesklier.
Vorige maand werd Pavarotti opnieuw in het ziekenhuis opgenomen, maar mocht op 25 augustus jongstleden weer naar
huis. Kennelijk konden de artsen niets meer voor hem doen, want zijn gezondheidstoestand verslechterde de laatste
weken in rap tempo. Woensdagavond was de familie samengekomen in Pavarotti’s huis in Modena om afscheid van hem
te nemen. Volgens Italiaanse persbureau’s raakte hij toen al buiten bewustzijn en hielden zijn nieren op met werken. Een
paar uur later overleed hij.
Pavarotti was een van de grootste zangers van de tweede helft van de vorige eeuw, ook een van de beroemdste. Als lyrische
tenor beschikte hij over het mooiste geluid van zijn generatie, vooral in het begin van zijn carrière. Hij maakte grote furore met
zijn debuutrol, Rodolfo in Puccini’s ’La bohème’ en groeide als een van de Three Tenors uit tot een internationale ster door de
optredens tijdens verschillende wereldkampioenschappen voetbal. Zijn collega’s in dit megasucces waren Plácido Domingo en
José Carreras. Door Pavarotti’s toedoen veranderde de aria ’Nessun dorma’ uit Puccini’s ’Turandot’ in een voetbal-megahit.
Vooral door het laatste woord van die aria, gezongen in een overweldigende orkestrale climax: ’Vincerò’ - ik zal overwinnen.
Pavarotti maakte in Hollywood enkele geflopte films, maar had veel meer succes met zijn project Pavarotti & Friends,
waarin hij met grootheden uit de popwereld concerten gaf ten behoeve van War Child, de organisatie die zich inzet voor
kinderen die lijden in oorlogssituaties.
De Volkskrant, 6 september 2007
Halfgod in de hemel van de muzikale commercie
Operaliefhebbers, maar vooral ook de vele miljoenen buiten die kring die overal op aarde met hem wegliepen, zullen het
voortaan moeten stellen zonder ‘een van de mooiste stemmen van de 20ste eeuw’ (Peter De Caluwe, tegenwoordig directeur
van de Brusselse Muntopera, in 1997 in de Volkskrant), ‘beroemd om zijn hoge C, zijn stralende hoogte’ (mezzosopraan en
zangpedagoge Cora Canne Meijer, idem), ‘een lieve man’ bovendien (Harry Mens, zijn grootste Nederlandse fan).
Luciano Pavarotti, primadonna van de Drie Tenoren en de populairste tenor ooit sinds de dood van zijn landgenoot Enrico
Caruso in 1921, overleed woensdag, omringd door familieleden, in zijn woon- en geboorteplaats Modena, nog net geen 72 jaar
oud (hij was van 12 oktober 1935). Zijn imposante lichaam – 1,90 meter lang en in de loop van vier decennia zingen én genieten
uitgedijd van 85 tot 130 kilo – staakte die avond een gevecht met alvleesklierkanker dat meer dan een jaar heeft geduurd. De
eerste operatie in juli 2006 bracht meteen de eerste onderbreking van de wereldwijde afscheidstournee van ‘de grootste stem
van de 20ste eeuw’ (dirigent Herbert von Karajan), die toen ook alweer ruim een jaar aan de gang was.
Zo moeizaam als Pavarotti zich van het podium liet duwen, zo lang deed hij erover om het te bestijgen. Zijn vader was een
begenadigd zanger, maar verdiende de kost als bakker omdat de plankenkoorts hem parten speelde. Luciano, oudste kind en
enige zoon, moest als jongen kiezen tussen een fluwelen stem en gouden voetbalbenen. Toen hij toch voor die stem ging, sloot
hij een deal met papa: ouderlijke kost en inwoning tot z’n 30ste. Was er dan nog geen zicht op een zangloopbaan, dan zou hij
zijn eigen brood gaan verdienen – op welke manier dan ook.
Vier jaar voor de deadline brak Pavarotti door. In 1961 won hij een wedstrijd waardoor hij Rodolfo mocht zingen in Puccini’s
La Bohème, in Reggio Emilia. Het zou zijn favoriete opera blijven. Twee jaar later verving hij in dezelfde rol Giuseppe di Stefano
in Covent Garden, Londen. Het werd een groot succes. In 1965 debuteerde hij zonder kleerscheuren in La Scala in Milaan,
zangersgraf en het ultieme operapodium in één. Wederom in La Bohème, en alleen omdat Von Karajan na twee jaar Puccini
dirigeren ‘door zijn tenoren heen was’, zoals Pavarotti het later zelf omschreef.
Via-via grote rollen krijgen, nooit op directe uitnodiging: misschien was het dat moeizame begin dat Pavarotti weghield van
het muzikale avontuur. Zijn zingende leven lang was hij voorzichtig in repertoirekeus en stemgebruik. De technisch meest
uitdagende rollen ging hij pas laat aan, en hij beperkte zich hoofdzakelijk tot de 19de-eeuwse opera’s van Verdi, Puccini en
Donizetti – het werk van de laatste vond hij ‘het prettigst’ om te zingen. Liederenrecitals gaf hij zelden: hij vond ze veel zwaarder
dan opera. Soms leidde Pavarotti’s berekenende aanpak tot artistieke verdieping. Zijn armzalige acteren, een zwak punt bij de
meeste operasterren van zijn generatie, wist hij met hard werken aanzienlijk te verbeteren.
Maar de neus voor het grote geld die hij er óók mee ontwikkelde, zal toch het langste in de herinnering blijven voortleven.
Pavarotti stond vooraan in de rij toen de televisiecamera’s zich op de opera richtten. Zo domineerde hij de eerste Live from the
Met in maart 1977, vanuit de Metropolitan Opera in New York – natuurlijk als Rodolfo. De tv-uitzending bracht miljoenen
Amerikanen in vervoering: lang voor de David Beckham die hij misschien ook had kunnen worden, ontsloot Luciano Pavarotti
een wereldwijd publiek en een wereldwijde markt. Gemeten naar platenverkopen werd hij in de jaren tachtig de derde muzikant
op aarde na Madonna en Elton John – de enige klassieke muzikant die zich op dat punt kon meten met de grootste rocksterren.
Zijn fysiek en financiële verlangens groeiden mee. Voor de Nederlandse Opera bijvoorbeeld werd hij ‘compleet onbetaalbaar’,
vertelde toenmalig medewerker De Caluwe tien jaar geleden. ‘De gangen in het Muziektheater zijn weliswaar breed genoeg voor
Pavarotti, maar hij past absoluut niet in ons budget.’ Vanaf 1990, toen hij voor het eerst samen met Placido Domingo en José
Carreras de finale van het WK-voetbal opluisterde als de Drie Tenoren, werd hij een halfgod in de hemel van de muzikale commercie.
Met alle bijbehorende ongemakken, zoals strafvervolging wegens belastingfraude – Pavarotti kocht die af met een miljoenenboete – ,
wisseling van de echtelijke wacht – nummer twee Nicoletta, dertig jaar jonger dan Luciano, leerde hij, ook heel klassiek, kennen als
zijn privé-secretaresse – en een breuk met een manager die vervolgens zijn scandaleuze memoires publiceerde.
In april 2005 trad de ‘lieve man’, die toen al jaren tobde met zijn gezondheid, voor het laatst op in Nederland, in het
Rotterdamse Ahoy’. De trouwe schare bewonderaars die Harry Mens hier voor hem opbouwde, waren die avond oneerbiedig en
razend enthousiast tegelijk. ‘Hij heeft onlangs nog een kind verwekt’, zei een van hen. ‘Daar moeten toch drie zuurstofflessen aan
te pas zijn gekomen.’ Luciano Pavarotti ‘is niet stervende’, heette het nog in juli van dit jaar. ‘Sterker, hij werkt juist aan een nieuw
album.’ Dat is er nooit meer gekomen.
|
|

Meer In Memoriam
|